Instellingsbeleid
Instellingen die goede resultaten behalen binnen het Sprintprogramma hebben op drie niveau’s draagvlak gecreëerd voor het bčtadenken: op bestuurs- en beleidsniveau, op docentenniveau en op leerlingenniveau. Beslissingen worden op deze manier zowel van bovenaf als van onderaf gedragen: de zogenaamde top-down en bottum-up benadering. Het nemen van beslissingen is echter niet genoeg. Gebleken is dat goed presterende instellingen ook hun personeelbeleid en het financiële kader hebben aangepast om zo hun beslissingen te kunnen ondersteunen.
Vragen die horen bij het thema integraal beleid zijn: • Wat wil de instelling bereiken (doelstelling en resultaten formuleren)? • In hoeverre leeft de centrale doelstelling binnen de universiteit en heeft het een beleidsprioriteit? • Is er actief eigenaarschap voor het realiseren van de kwantitatieve (prestatie) afspraken/ doelstellingen ? • Nemen nieuwe leidinggevenden bij hun aantreden eerder genoemde afspraken/doelstellingen over? • Is iedereen geďnformeerd over beleids- en bestuursafspraken? • Is het personeels- en financieel beleid aangepast op beleids- en bestuursafspraken? • Zijn er randvoorwaarden en/of aanpalend overheidsbeleid die eerst moeten worden gecreëerd/aangepast voordat vorm kan worden gegeven aan de doelstellingen en resultaten? Voor duurzame innovatie is van belang om te weten welke projecten/programma’s succes hebben gehad en welke niet. Wat ging goed en wat ging minder goed? Door te monitoren ontstaat kennis die van groot belang is voor de toekomst en zeer waardevol is voor andere onderwijsinstellingen. Is de bereidheid aanwezig om te leren van de eigen resultaten maar ook van de resultaten van anderen?
|